Opmerkingen plan-MER


Plan-MER R43: doortrekking Ring om Eeklo

Opmerkingen van Comité Eeklotegendering, Natuur en Landschap Meetjesland en Natuurpunt Eeklo-Kaprijke-Evergem, 4 februari 2008

Bij dit soort studies hangt altijd veel af van de objectiviteit en de neutraliteit van het studiebureau dat de studie doet. Er zou door een onafhankelijke instantie moeten worden onderzocht of de objectiviteit en de neutraliteit van het studiebureau in deze gewaarborgd zijn. Wij stellen dan ook voor dat voorafgaandelijk aan de studie een onderzoekscommissie wordt aangesteld die een onderzoek voert naar de objectiviteit en neutraliteit van het studiebureau. In deze commissie, die bijvoorbeeld zou kunnen bestaan uit drie deskundigen, zou één lid dienen te worden aangeduid door de tegenstanders van het plan een Ring aan het Leen te bouwen.

De nummering van dit document verwijst naar de nummering in het plan MER.

2. ALGEMENE INLICHTINGEN

2.1. Beknopte omschrijving van het plan

De omschrijving gaat uit van de verkeerstelling en de vaststelling dat veel doorgaand verkeer door Eeklo passeert. Daardoor is er een probleem van verkeersveiligheid. Zoals de nota opmerkt, is één van de mogelijkheden om dit probleem aan te pakken de doortrekking van de Ring. Eén van de mogelijkheden dus. En die mogelijkheid wordt door het MER onderzocht.

Is men ook van plan de andere alternatieven te onderzoeken? Worden de flankerende maatregelen die nodig zijn om tot de besluiten te komen van de verkeerstelling zoals het aanpakken van de doortocht, maar ook de mogelijkheid het zwaar verkeer om te leiden via de Expresweg Antwerpen-Kust en via de R4 onderzocht?

Met andere woorden bij dit plan-MER ontbreekt de optie om geen Ring aan te leggen. Tevens moet meegenomen worden dat bij de verbreding van het Schipdonkkanaal ervan wordt uitgegaan dat langs dat kanaal een weg wordt voorzien vanaf Mariakerke, Vinderhoute tot Eeklo. Ook deze weg is onnodig bij een mobiliteitsmodel waarin de R4 en de N49 als regionale verbindingen voor doorgaand en zwaar verkeer worden gehanteerd. Deze plannen en mogelijkheden maken het hele Ringproject onnodig.

De voorlaatste alinea van dit hoofdstuk pagina is te beknopt. Er is bij de barrièrewerking bijvoorbeeld geen sprake van de functionele ecologische relaties langs beide zijden van de ring (en de noodzakelijke vlotte uitwisseling van individuen van soorten van de ene naar de andere zijde).

Het plan toont enkel dat de landschappelijke structuur van het coulissenlandschap versterkt moet worden, niet de ecologisch waardevolle gebieden. Dit is geen semantiek maar het verschil tussen schaamgroen en bosuitbreiding. Wij willen hier graag een paragraaf zien dat men de ecologische kwaliteitsvermindering wil ondervangen door een areaalsuitbreiding. Er wordt niets gezegd over de mate waarin het realiseren van de groene bestemming (heel de zone tussen Eeklo en het Leiken is groen op het gewestplan) zal worden gehypothekeerd door dit project.

2.5. Verder besluitvormingsproces

Aangezien we hier te maken hebben met activiteiten die een invloed kunnen hebben op een Habitatrichtlijngebied, is het noodzakelijk de mogelijke stappen te overwegen die gezet moeten worden naar de Europese administratie en de mogelijkheid te overwegen dat derden de Commissie aanspreken op de aanleg van de Ring.

3. SITUERING VAN HET PLAN

In het mobiliteitsplan van de stad Eeklo werd de N9 aangewezen als verbinding met de Kraaiweg, de wijken en de scholen. Het is dan ook onduidelijk waarom die piste wordt verlaten. Waarschijnlijk dient de reden gezocht te worden in het feit dat men voldoende verkeer moest genereren om de plannen van de Ring te ondersteunen zoals in het bestemmingsonderzoek ten overvloede is gebleken.
Ook moeten we er op wijzen dat datzelfde mobiliteitsplan ervan uitging dat Eeklo mobieler zou worden zonder automobiel. In dit plan is daar geen enkele aanzet toe gegeven. Integendeel: de automobiliteit naar het ziekenhuis en de scholen wordt aangegrepen om de Ring te rechtvaardigen. In dit plan-MER zou onderzocht moeten worden welke maatregelen zouden kunnen voorkomen dat de automobiliteit toeneemt om het nul- alternatief of het alternatief dat in deze bespreking wordt aangereikt, namelijk de R43 naar de N49 als doorgangsweg voor zwaar vervoer en de invoering van gratis openbaar vervoer, samen met de verbeterde structuur van Eeklo voor de trage weggebruikers, te realiseren.

3.1.1. Huidige verkeersstructuur
De bestaande toestand is niet uitputtend behandeld in het onderzoek na de verkeerstelling. Zo is niet ingegaan op de ruit van het Meetjesland en de mogelijkheden ervan om het vrachtverkeer uit de kernen af te leiden. Het is noodzakelijk de problematiek in Eeklo te zien in het grote verband van de ruit. Dan zal duidelijk worden dat de afleiding van vrachtwagens naar Gent op twee manieren kan, namelijk via Aalter en via de N49 met aansluiting op de R4. De bestaande verkeersinfrastructuur en -afwikkeling werd dus niet voldoende onderzocht. In die zin is de aansluiting op de Tieltsesteenweg dan ook niet wenselijk. Zich baseren op de conclusies van deze telling is dan ook het hanteren van een verkeerd uitgangspunt.

3.1.2.1. Algemeen
De verbinding met de Tieltsesteenweg geeft het verkeerde signaal, omdat daaruit de wil blijkt verkeer langs die steenweg ook naar Aalter te sturen. Dat moet ontraden worden omwille van het doorkruisen van een aantal woonkernen en de toekomstige ontwikkelingen in Aalter zelf. Ook moet uitgesloten worden dat dit een toegang tot Eeklo blijft voor het zwaar verkeer. Tevens wordt de N9 niet overbelast omdat een Ring ontbreekt maar omdat er een visie ontbreekt om het doorgaande verkeer te weren zonder bijkomende infrastructuur.

3.1.2.2. Resultaten uit het herkomst/bestemmingsonderzoek
Het bestemmingsonderzoek. In volgende punten geven we aan waarom het bestemmingsonderzoek als uitgangspunt voor het plan-MER niet valabel is.

a. De cijfers die gepresenteerd worden zijn ramingen op basis van onderzoek. Ramingen zijn berekeningen die niet altijd de werkelijkheid weergeven, niet die van vandaag maar zeker niet die van de toekomst. Zo is nergens ingerekend dat de verkeersstromen groeien, elk jaar opnieuw en dat afhankelijk van die groei het centrum van Eeklo weer zal dichtsluizen. In het plan-MER zouden die vooruitzichten moeten bekeken worden

b. Nergens wordt in het rapport de juiste plaats van de Ring aangegeven maar men gaat er wel vanuit dat er ook een aantal wijken en de scholencampus zullen kunnen bediend worden. Het plan-MER moet ook bekijken welke de gevolgen zijn van een RING als er geen aansluitingen worden gemaakt.

c. Het onderzoek speelt zich af in de spits, dus op de drukste uren van de dag. Hoe is de belasting tijdens de dag? Zou het bestemmingsverkeer dan een groter of kleiner deel van het verkeer behelzen? En wat op donderdagmorgen (marktdag) als het bestemmingsverkeer waarschijnlijk veel groter is?

d. In het basisscenario+ wordt de Oostveldstraat ook gezien als bestemming voor het verkeer uit de richting Brugge. Dit kan toch niet ernstig bedoeld zijn. Of men zou moeten menen dat dit ook een weg is die aansluiting zal geven op de geplande op- en afrit te Lembeke- Kaprijke. En vergeet men dan niet 'den Teut' als mogelijkheid voor dit verkeer? (zie hoger)

e. Nergens wordt in de nota de mogelijkheid opgenomen tot afleiding van het verkeer op een verdere afstand van Eeklo. Een deel van het vrachtverkeer dat blijkbaar enkel doorgaand is, zou zo kunnen worden opgevangen. Een proefopstelling voor langere termijn zou hierover uitsluitsel kunnen geven.

f. Het potentieel van de Ring wordt doorgerekend en in een model geplaatst. Het doorberekenen wordt niet verantwoord. Zo worden de resultaten van de tellingen en de enquêtes in feite niet ernstig genomen en worden ze verrekend tot grotere eenheden.

g. De uitweiding over de mogelijkheden van de modal split en de rol van het openbaar vervoer en het fietsverkeer zijn duidelijk als voorwaarden geformuleerd in het rapport. Gelijktijdigheid is hierin het sleutelwoord. Het openbaar vervoer wordt niet zomaar geïntensifieerd naar de regio rond Eeklo. Ten andere de cijfers van de belbus en De Lijn zouden daar nu al uitsluitsel kunnen over geven. Het fietsverkeer in Eeklo is een zwak broertje en er zouden heel wat investeringen moeten gebeuren om dit te activeren en het autogebruik te ontmoedigen. Het plan-MER zal die gelijktijdigheid van maatregelen moeten betrekken in het bekijken van de effecten. Wij zouden graag zien dat deze inspanningen nu gebeuren en dat men die resultaten bekijkt om de hypothese van het rapport te evalueren.

3.1.3. Visie voor de R43
Zoals hierboven is aangetoond, dient er nog een grondige analyse van de verkeerssituatie te gebeuren. De analyse in het bestemmingsonderzoek is die naam niet waardig omdat die zich beperkt tot een microvisie op de verkeersstromen rond en door Eeklo. Het betrekken van de R4 en de N49 in de afwikkeling van de verkeersstromen is noodzakelijk en dient dus in het plan-MER betrokken te worden. De conclusie zou dan totaal anders kunnen zijn, namelijk dat de doortrekking niet nodig is. Temeer dat geen enkele maatregel wordt opgenomen die leidt tot een vlottere en veiliger doorstroming van het verkeer in Eeklo, zoals het beperken van laden en lossen op de N9 en het uitbreiden van het openbaar vervoer.

Het substantiële effect zal op middellange termijn vervallen door de toename van het verkeer, zodat ook deel van de visie voor herziening vatbaar is.

Het plan-MER zou dus, om te kunnen uitgaan van een visie, een aantal onderzoeken moeten doen die niet vertrekken van de prémisse dat er een Ring moet komen maar vanuit de vraagstelling of de doortrekking van de Ring de beste manier is om de veiligheid en verkeersleefbaarheid van Eeklo te garanderen, niet nu maar ook in de toekomst.

3.1.3.2. Functie van de R43
De stellingen die hier worden ingenomen dienen te worden onderzocht en niet als premissen naar voor geschoven. Dat is een plan-MER onwaardig. De verbindende functie met het buitengebied is zeer relatief omdat het over een doorgangsweg gaat en niet over een verbindende weg. Ook de verbindende functie met het hogere wegennet is voor discussie vatbaar. Die verbindende functie zou alleen bestaan als men ervan uitgaat dat de R43 de toegangsweg is naar de N49 en niets anders.

3.1.3.3. Potentieel van de R43
Er wordt wel gewezen op sluipverkeer tussen Oostveldstraat en Gentsesteenweg, maar niet tussen de Zuidmoerstraat en de R43.

3.2.2. Structuur volgens het gewestplan
Gelieve hierbij uit te gaan van de ruit-visie die door het Streekplatform Meetjesland is uitgewerkt onder leiding van Prof. Allaert en niet van de kleinschalige beschrijving van het gewestplan.

3.3. Juridisch en beleidsmatige context

De situering van het plan laat duidelijk zien dat de horizon van het MER te beperkt is. Niet alle alternatieven zitten er in, zoals hier ook hoger wordt aangetoond. Vandaar dat wij vragen alle alternatieven mee te nemen ook bij de situering van het plan.

3.4. Geïntegreerd ontwikkelingsscenario

Bij de belangrijke ontwikkelingen wordt de realisatie van de groene gewestplanbestemming ten noorden van het Leiken niet genoemd. Dit lijkt ons belangrijk genoeg om mee op te nemen in de opsomming.

3.4.6. Geplande maatregelen in uitvoering van het GRS
Voor de scholencampus wordt het autoprobleem verlegd naar Dullaert, Consciencestraat enz. Een alternatief kan zijn om de lichten aan het einde van de Zuidmoerstraat tijdens het uitgaan van de scholen langer laten op groen staan, eventueel de rijrichting in de Visstraat omdraaien. Een oplossing voor de lijnbussen die door de Zuidmoerstraat moeten.
In plaats van de lichten aan het einde van de Zuidmoerstraat kan men het verkeer komende van de scholen laten invoegen in de Gentsesteenweg. Even verder kan een rotonde voorzien worden voor het verkeer dat naar het centrum moet.

3.4.8. Uitbouw van Het Leen tot regionaal bos aan de rand van de stad
Het Leen als regionaal bos is hier wel mooi verwoord, maar krijgt toch een wrange nasmaak indien de ring wordt aangelegd.

3.4.10. Lange Moeyakker als randstedelijk groengebied
Hier dient men een belangrijke nuance in te bouwen. De bebossingsstudie onderzocht enkel de haalbaarheid op korte termijn van een aantal zaken, als het ware een eerste korte-termijn-uitvoeringsplan (i.f.v. de tegen jaar X te bebossen hectaren volgens de doelstellingen van de Vlaamse Regering). Zonder deze nuance erbij lijkt het alsof een volledige bosuitbreiding niet wenselijk zou zijn.

4. BESCHRIJVING VAN HET PLAN

4.2. Tracéalternatieven

Aangezien niet alle mogelijkheden worden onderzocht en de varianten beperkt blijven tot de verlenging van de R43, dringen wij aan dit onderdeel uit te breiden tot alle varianten, ook die van het afleiden van het zware verkeer en het introduceren van gratis openbaar vervoer in Eeklo.

4.3. Begeleidende maatregelen

Het is onmogelijk de barrièrewerking van een R43 op die plaats en het verbreken van de fietsrelaties en de effecten op de landbouw met begeleidende maatregelen te ondervangen.

4.4.2. Aansluitingspunten
Gelieve hier ook de veiligheid/onveiligheid te onderzoeken van de nieuwe infrastructuur. De snelheid en de beperkte ruimte, alsook de fietsrelaties en de aansluitingspunten zijn gevaarlijke punten.

4.4.3. Kunstwerken
Het verhogen van het tracé om de onderdoorgang voor fietsers mogelijk te maken is niet wenselijk omwille van de zichtbaarheid ervan in het landschap, die volgens een eerder punt minimaal zou moeten zijn. Ook de onveiligheid (criminaliteit en vandalisme) die een onderaardse fietsrelatie meebrengt, vooral in het donker, moet onderzocht worden in vergelijking met de bestaande fietsrelatie. Wij vragen aandacht voor de ontsluiting van Eeklo, de scholen en de ziekenhuiscampus voor fietsers. Ook dit element dient toegevoegd aan de studie.

5. ADMINISTRATIEVE VOORGESCHIEDENIS

Ten overvloede wijzen we erop dat de studies beperkt zijn in opzet en dat het grotere verband dat uitgewerkt werd door het Streekplatform, de ruit, niet als een oplossingsmogelijkheid voor de mobiliteitsproblemen in Eeklo werden gezien. Het is dan ook nodig dit alternatief aan het plan-MER toe te voegen en te onderzoeken. Wij pleiten er dus voor het plan-MER op te schorten tot dit onderzoek is gebeurd.

6. OVERWOGEN ALTERNATIEVEN

Zie 5.
Andere alternatieven dan de aanleg van een nieuwe weg zijn niet of onvoldoende onderzocht; men keek enkel naar locatiealternatieven.

Bij het realiseren van de Ring vermindert het belang van de verbinding met de N49. De verbinding die zou kunnen uitgroeien tot de oplossing van het veiligheidsprobleem in Eeklo (namelijk de Teut) verliest door de keuze voor de Ring aan belang omdat die verbinding niet meer als cruciale as wordt gebruikt om het doorgaand verkeer af te leiden en het verkeer komende van de huidige onvolledige R43 langs die verbinding uit Eeklo weg te houden.

6.2. Beperkte doortrekking Veldekens-Tieltsesteenweg

De stelling die hier wordt aangehouden, gaat ervan uit dat de situatie blijft zoals ze is, enkel de verlenging van de R 43 tot de Tieltsesteenweg wordt overwogen. Dit is een niet wenselijk alternatief omdat daardoor de Tieltsesteenweg overbelast wordt. Hier ontbreekt ook de mogelijkheid alle verkeer via de R43 af te leiden naar de Expresweg N49. Ook dit alternatief moet worden bestudeerd. Daarvoor zou een proefopstelling nodig zijn en een telling zodat kan worden vastgesteld wat de gevolgen zijn voor Eeklo.

Wat betreft de voorziene woonuitbreiding Guldensporenstraat kan het verkeer evengoed via de Gentsesteenweg worden omgeleid.

6.3.1. Realiseren doortrekking volgens reservatiestrook gewestplan
Zuiver speculatieve overweging in dit plan-MER. Op basis waarvan kan men beweren dat de gevolgen van dit alternatief minder sterk zouden doorwerken dan de R43 tussen Eeklo en Leen? Te verwijderen dus uit dit stuk en op te nemen in de alternatieven die bestudeerd moeten worden. Ook het argument dat dit tracé dwars door landbouwgebied loopt, dient afgewogen te worden aan de voorgestelde tracés die ook landbouwgebied bedreigen. De bestudering van dit alternatief is nodig alsook het bekijken van de mogelijkheid om de landbouw niet te bezwaren met dit dossier. Dit alternatief moet dus wel bestudeerd worden. Zie onze opmerking in 2.1.

De laatste alinea spreekt over een niet wenselijke versnippering van het agrarische landschap dat beleidsmatig niet wordt ondersteund, terwijl er elders niet gesproken wordt over het feit dat een natuurgebied van ongeveer 100 ha zal geïsoleerd worden t.o.v. Het Leen, waarvan het volledig afhankelijk is voor zijn ecologisch functioneren.

6.3.2. Gebied ten noorden en zuiden van de tracéalternatieven
Er zal dus moeten aangetoond worden dat dit een plan is van groot algemeen belang. De Europese Commissie moet dus haar fiat geven. Daarzonder is het plan-MER zinloos. Ook een reden dus om het plan-MER op te schorten.

6.4.1. Ongelijkgrondse kruisingen
Het impact van gelijkgrondse kruisingen op de verkeersveiligheid, vooral maar niet uitsluitend, van de trage weggebruiker, dient meegenomen in dit onderzoek.

6.4.2. Aansluitingspunten voor erfontsluiting
Het stellen van deze onmogelijkheid is niet gebaseerd op onderzoek, noch op overleg en heeft een belangrijke impact op de verkeersveiligheid op deze weg.
In dit verband willen we ook wijzen op het relatieve belang van de plannen voor de Ring. Als we het verkeer dat dagelijks door de Zandvleuge rijdt vergelijken met de cijfers van de tellingen van het doorgaand verkeer, is dat vergelijkbaar met de hoeveelheid auto's die gebruik zullen maken van de nieuw aan te leggen Ring. Het is dan ook duidelijk dat die hoeveelheid auto's geen immens effect zal hebben op de veiligheid van de doorgang door Eeklo. Daarbij dient aangegeven te worden dat de onveiligheid bij een kleinere verkeersstroom zal toenemen omdat de snelheid zal toenemen. Ook deze mogelijkheid is niet voorzien in de studie.

7. INFORMATIE UIT BESTAANDE ONDERZOEKEN

Het is duidelijk dat de bestaande onderzoeken uitgaan van de premisse dat er een Ring moet komen en dat hij tussen het Leen en Eeklo zijn plaats moet krijgen. Andere onderzoeken zijn niet gebeurd, zodat er sprake is van een onvoldoende macrobenadering. Tevens is de microbenadering niet volledig omdat men niet heeft onderzocht wat de gevolgen zouden zijn van gratis openbaar vervoer, gecombineerd met fietsvriendelijke infrastructuur en het verbod op laden en lossen gedurende spitsuren. Ook een onderzoek naar de Europese consequenties van de ingreep is niet gevoerd.

7.1.1. Herkomst-bestemmingsonderzoek
a. De invloed van de afsluiting van de N49 ter hoogte van de Boelare wordt niet onderzocht.

b. Omdat men uitgaat van de betwistbare conclusies van het bestemmingsonderzoek zijn alternatieven niet onderzocht. Dat zou alsnog moeten gebeuren.

c. Het bekijken van de verkeerstelling in de Zandvleuge kan een nieuw licht werpen op het beperkte belang van de Ring.

7.2.1. Analyserapport
Onderzoek dient te worden uitgebreid tot 'het aantrekkelijke winkelgebied' met een beperktere maar toch nog steeds drukke N9, ook na het aanleggen van de Ring. Welke zijn de elementen die zullen veranderen zodat de aantrekkelijkheid toeneemt? Het zou enkel door een veel drastischer vermindering van het verkeer zijn dat de aantrekkelijkheid toeneemt. Onderzocht zou moeten worden vanaf welk mobiliteitsdebiet sprake kan zijn van het realiseren van een aantrekkelijk gebied. Ook dient onderzocht te worden welke de gevolgen zijn voor de visie van de groene vingers in het stedelijke gebied die doorsneden worden door de voorgestelde tracés. Het beschrijven van een sfeerbeeld 2050 met R43 of zonder zou veel duidelijk kunnen maken.

7.3. Studie Bosuitbreiding Meetjesland

Worden de mogelijkheden van de bosuitbreiding verminderd door de R43? Is de bosuitbreiding nog wenselijk na het realiseren van de R43, ook in verband met het verlies aan landbouwgronden door de inplanting van die R43?

8. INGREEP-EFFECTEN ANALYSE

Zijn de effecten op de landbouw niet belangrijk genoeg om te bekijken? Of toerisme? Want de ingreep zal effecten hebben op de toeristische aantrekkelijkheid van het Leen en het hele gebied. En waarom zijn de psychologische effecten niet bestudeerd van lawaai in de omgeving van scholen en ziekenhuizen? En het verlies aan woongenot van hele wijken? En de financiële schade aan de eigendommen in die wijken? En de onmogelijkheid van het ongedaan maken van de ingreep voor de toekomstige ontwikkeling van Eeklo?

Graag zien wij volgende punten toegevoegd onder punt 4 op p.65 (tabel 2):
- Kwaliteitsdaling is (geluid, verstoring) van de resterende natuur
- Hydrologische effecten: wijziging debiet en kwaliteit indringend grondwater, waarvan het Leen afhankelijk is

9.1. Mobiliteit

Sluipwegen moeten ook in de straten van Zandstraat tot en met Guldensporenstraat worden onderzocht. Een flink aantal straten zou met de komst van een ring wel eens veel drukker kunnen worden dan momenteel het geval is. De impact op de wijk moet dus grondig worden onderzocht.

10. ALGEMENE METHODOLOGIE

10.3. Juridisch en beleidsmatig kader

Juridisch kan het niet dat hetzelfde studiebureau de voorbereidende én de uitvoerende studies uitwerkt. Dit leidt er immers toe dat het studiebureau werkt naar het binnenhalen van de opdracht. De Raad van State kan hier uitsluitsel over geven.

10.7. Alternatieven

Zoals het er nu naar uit ziet, worden niet alle alternatieven in de studie bekeken zodat we niet van een volwaardig MER kunnen spreken. Aangezien niet alle alternatieven voorkomen in 6 kan er ook niet volwaardig naar dat punt worden verwezen. Het MER zal dus niet volledig zijn. Als motivatie wordt het visierapport ingeroepen gebaseerd op de onvolledige onderzoeken die aan dat rapport voorafgaan. Het nulalternatief moet dus uitgebreid worden met de mogelijkheden gebruik te maken van de N49, het gratis openbaar vervoer in Eeklo, de verbetering van de fietsinfrastructuur en de verhoging van de frequentie op het spoor.

10.8. Milderende maatregelen

De gelijktijdigheid van acties is niet gegarandeerd. De bebossing noch de compensaties zijn omschreven noch gegarandeerd.

11. METHODOLOGIE PER DISCIPLINE

11.1. Mobiliteit

De status die aan het bestemmingsonderzoek wordt gegeven, en de status van het analyse- en visierapport houdt geen rekening met de kritiek op het eerste en de beperktheid van de twee andere. Uitgaan van deze rapporten is dan ook niet verantwoord. Een gecombineerde macro- en microbenadering, los van de politieke voorkeuren, is nodig. Wij stellen dan ook voor dit te doen vooraleer verder te gaan met dit MER.

11.1.2. Beschrijving referentietoestand
Een evolutie in de tijd moet mee verdisconteerd worden en de vraag beantwoorden wanneer de situatie op de N9 gelijkaardig zal zijn met de huidige, ondanks het investeren in de verlenging van de R 43, gelet op de groei van het verkeer.

11.1.3. Effectvoorspelling en -beoordeling
Het bestaan van fietstellingen is niet opgenomen in de studies die al vroeger gebeurden. Het is dan ook volstrekt onduidelijk waar men cijfers zal halen om de fietsrelaties in kaart te brengen en in te schatten welke de gevolgen zullen zijn van de ingreep.

11.2.3. Effectvoorspelling en -beoordeling
De effectbeschrijving (tabel) wordt niet gemotiveerd dus dienen de normen als relatief te worden beschouwd en voor discussie vatbaar. Deze opmerking geldt voor vele effectbeschrijvingen en maken dus de inschatting van vele effecten relatief en voor kritiek vatbaar. (We zullen deze kritiek niet meer herhalen maar zoals gesteld geldt deze kritiek voor vele effectbeschrijvingen).

11.2.4. Milderende maatregelen
Ook kan overleg nodig zijn met de experten toerisme en fauna en flora om de effecten van de milderende maatregelen te beoordelen.

11.3.1. Afbakening studiegebied
We kunnen er toch van uitgaan dat de veranderde luchtkwaliteit binnen de wijken die aan de verlenging van de R43 grenzen zal meegenomen worden. Ook dienen hier de veranderingen in de tijd te worden verrekend met een groeiend verkeer op de R43 en de te verwachten verbetering op de N9, die van korte duur zal zijn.

11.5.2. Beschrijving referentiesituatie
P. 95: wij pleiten ervoor dat de noodzakelijke voorwaarden worden beschreven (hydrologie van de omgeving, met inbegrip van het inzijgingsgebied kwel) voor een gunstige staat van instandhouding van de habitats van Het Leen en het stand-still-principe van de rest.

15. VOORSTELLING INHOUDSTAFEL MER

Bovenstaande toont voldoende aan dat het kader van het huidige plan-MER onvoldoende ruimte biedt voor een allesomvattend MER. Het is dan ook duidelijk dat in dit verband de inhoudstafel dient te worden aangepast en bijkomend onderzoek dient te worden verricht.