Duizend tinten grasland in het Meetjesland
Natuurpunt beheert in het Meetjesland naast bossen, waterpartijen, dijken en heidegebieden ook heel wat graslanden. Er bestaan heel veel soorten graslanden met elk hun typische omgevingsfactoren en plantensoorten, waardoor ook het beheer verschilt. We graven in dit artikel wat dieper in het ontstaan van en de variatie in deze graslanden.
Vee werd vroeger in de eerste plaats voor de mest gehouden en minder voor vlees, wol of melk
Cultuur als basis voor biodiversiteit
We spreken van halfnatuurlijke graslanden, want in Vlaanderen evolueert vrijwel elk plekje in het landschap zonder menselijke invloed spontaan naar bos. Dat betekent dat onze hoog gewaardeerde, natuurlijke graslanden alle in meer of mindere mate door de mens gecreëerd zijn. Dat maakt ze trouwens eerder meer dan minder waardevol. Natuurbehoud is in die zin ook behoud van onze cultuur en onze hoogwaardige landschappen.
Van zodra de mens zich in onze contreien als landbouwer vestigde na een eerdere periode als rondtrekkende jager-verzamelaar, verschenen al snel de eerste graslanden. Aanvankelijk bedreven de eerste landbouwers ‘slash and burn’ landbouw: een systeem waarbij men een plekje ontgint, akkerteelt bedrijft, om dan (na snelle uitputting van de bodemvruchtbaarheid) op te schuiven naar een ander stuk en pas na een lange periode op dezelfde plek terug te keren. Mensen hielden toen al dieren, maar in kleine aantallen. Wintervoer voor de dieren in de periode dat er geen vers gras is, was immers erg beperkt.
Dat alles veranderde zodra men probeerde dezelfde akkers veel bestendiger in gebruik te nemen: nog steeds met braakleggingsperiodes maar veel minder. Men slaagde daarin door te werken met gescheperde (of gehoede) kuddes: dieren die onder begeleiding van een herder grazen in zones die ongeschikt waren voor goed akkerland omdat ze te zuur, te schraal, te steil, te stenig,… waren. Ze graasden nutriënten bijeen doorheen het hele landschap, die ze ‘s avonds en doorheen de nacht achterlieten op de braakliggende akkerpercelen of in de stal. Deze bemesting zorgde ervoor dat akkers steeds langer vruchtbaar bleven. Dieren werden in de eerste plaats gehouden voor de mest en niet zozeer voor vlees, wol of melk – hoe raar dit nu ook mag overkomen. Om dit systeem goed te doen werken, heb je veel meer dieren
nodig dan voorheen. En zo komt het volgende probleem in beeld: wintervoer.
Grassen en kruiden zijn merendeels doorlevende planten. Dat betekent dat ze in het najaar voedingstoffen recupereren uit stengels en bladeren naar hun wortels. Het volstaat dus niet om een deel van het beschikbare gras te laten staan voor de winter. Dieren eten hun buik dan wel vol, maar het kost hen vaak meer energie om dit slechte, droge gras te verteren dan dat er uit dit voer te halen valt. Ze spreken hun
(vet)reserves aan. Voor dieren die op het einde van de winter lammeren, is dit een groot probleem: minder kalveren of lammeren met een kleinere kans op overleven. En zo komen onze graslanden opnieuw in beeld, maar dan onder de vorm van hooiland.
Hooiland als de basis waar het hele landbouwsysteem op drijft
De oplossing voor dit knelpunt is even geniaal als simpel: gras bewaren uit de goede periode, dus terwijl het nog vol voedingstoffen zit, voor de winter. Naast akkers, bos en graasgronden (heide inbegrepen) deed een nieuw landschapselement zijn intrede: hooiland. Het begin daarvan was schoorvoetend. Aanvankelijk werden dieren gevoederd met loof: de voor de mens oneetbare resten van akkerteelten, aangevuld met zogenaamde ‘loofvoedering’. Dit zijn jonge twijgen die in volle groeiperiode afgekapt en bewaard werden met de bladeren er nog aan – iets waarvoor men speciale kaphagen aanlegde die het midden hielden tussen een knotboom en een haag. Je ziet ze nog steeds op plaatsen waar men moeilijk goed hooiland kan aanleggen. Bij ons zijn de laatste relicten daarvan zichtbaar in de Vlaamse Ardennen, waar men dit systeem lang in stand is blijven houden om bijvoorbeeld extreem droge periodes zonder grasgroei te overbruggen.
Maar geleidelijk aan ontstonden de eerste hooilanden, veelal onder de vorm van hooiweiden (dit wil zeggen eerst hooien, laten in het seizoen begrazen) in boomgaarden dichtbij de boerderij. Op Öland (Zweden) kan je daar nog schitterende voorbeelden van bewonderen, ‘Angar’ genaamd, met een zeer oude cultivar van lijsterbes als dé fruitboomsoort. De aanwezigheid van verspreide bomen in dit grasland zorgde ervoor dat voedingsstoffen die uitspoelden naar diepere grondlagen door de bomen weer naar boven gepompt werden en onder de vorm van bladeren en (rot) fruit als een soort van bemesting neerdaalden over het grasland. Dit leverde een zekere, blijvende vorm van vruchtbaarheid op, maar perfect was dit allesbehalve.
In de Vallei van de Oude Kale ligt een ingenieus systeem van greppels, die de waterstand regelden om goede hooilanden te verkrijgen
Hooiland als ‘teelt’
Hooiland heeft een even simpele als cruciale beperking: vruchtbaarheid. Als je de mest van de dieren moet benutten om ook daar het grasgewas goed te doen groeien, dan eindig je met een nuloperatie. Dat is de reden waarom we onze klassieke hooilanden slechts op zeer welbepaalde plaatsen in het landschap aantreffen.
Hooilanden liggen daarom steeds op plaatsen waar de bodem van nature veel voedingstoffen bevat (met name fosfor), maar die ongeschikt zijn voor akkerteelten – in praktijk betekent dit natte plekken. Immers: al onze klassieke graangewassen, oorspronkelijk grassen uit het droge Midden-Oosten, verdragen geen natte voeten.
Daar komt nog een tweede reden bij piepen. In droge omstandigheden bindt fosfor zich mettertijd aan de bodem, in voor planten slecht opneembare vorm. In welbepaalde natte omstandigheden daarentegen wordt vanzelf een deel van de bodemvoorraad fosfor omgezet naar een voor planten goed opneembare vorm. Dus waar je op de droge akkers jaarlijks mest (= fosfor) toevoegt, haal je er in je hooiland jaarlijks een stukje van de bodemvoorraad uit. Bovendien fungeren de meeste hooilanden (in valleien) als bezinkputjes: bodemmateriaal dat van de (goed met fosfor verzadigde) akkers afspoelt bij hevige regenval, bezinkt weer in de vallei waardoor dit systeem zichzelf nagenoeg eeuwig in stand kan houden.
In ons klimaat heb je een aanzienlijk neerslagtekort in de zomer en een neerslagoverschot in de winter. In die omstandigheden schommelt de grondwaterstand behoorlijk, veel meer dan optimaal is om goed hooiland te krijgen. De ideale omstandigheden zijn immers plasdras in de winter (waterstand rond het maaiveld, met kortstondige overstromingen) en in de zomer 40 tot 60 centimeter onder het maaiveld wegzakkend. Dan krijg je zogenaamd dotterhooiland. Om die omstandigheden te bereiken, moest de mens heel diep ingrijpen in het systeem. Niet alleen moest de bodem vlak gemaakt worden (een beetje te droog of te nat levert al spectaculair mindere kwaliteit hooi). Men moest ook zorgen voor een heel stelsel van beken en greppels om de optimale grondwaterstand te bekomen, wat meteen ook verklaart waarom hooiland zo’n relatief late ‘uitvinding’ is. De aanleg daarvan vereiste ingrepen op landschapsschaal, terwijl één (tijdelijk) akkertje rond een primitief boerderijtje perfect op zichzelf kon staan.
De belangrijkste graasweidetypes in het Meetjesland
Want ook na de aanleg van hooilanden verdwijnen de graasweides niet. Ze liggen op plaatsen die ongeschikt zijn om of akker of hooiland aan te leggen: zilte terreinen, stenige stukken, steile hellingen of (in de meeste gevallen) droge, voedselarme plekken in het landschap. Het grootste deel van het jaar vertoefden de dieren daar nog steeds. Afhankelijk van de omstandigheden bestaan er verschillende types graasweide; hierna geven we de belangrijkste mee die nu nog te vinden zijn in onze regio. Per graslandtype tonen we ook enkele typische planten.
Kamgrasland
Dit zijn graasweides op niet zo heel erg voedselarme bodems. Denk bijvoorbeeld aan de vetweiden in de polders van Sint-Laureins en Assenede. Vaak zijn ze net te nat in de winter en te droog in de zomer voor de aanleg van akker of goed hooiland. Dit zijn historisch zeer soortenrijke graslanden, enorm bloemrijk, met bijvoorbeeld veel witte en rode klaver. In veel gevallen waren dit hooiweides (eerst hooien, dan begrazen). De kamgraslanden in de polders zijn overigens het enige voorbeeld in Vlaanderen waar hooiland en graasweide ruimtelijk historisch niet van elkaar waren gescheiden en niet vlak als een biljartlaken waren. De hele uitleg waarom dit uitzonderlijk zo is, zou ons hier te ver leiden. Maar onthoud dit: onze poldergraslanden zijn uniek. 99% van het wereldareaal van deze typische poldergraslanden bevindt zich in Vlaanderen, op een paar honderd hectaren na in Nederland. Dit zijn de belforten en begijnhoven van het natuurbehoud en het verklaart meteen ook waarom Natuurpunt (ook op Vlaams niveau) zo hard knokt om die te behouden en te herstellen.
1) Kamgrasland op een natuurgebied in Sint-Laureins, met veel rode klaver / 2) kamgras / 3) kleine vuurvlinder op madeliefje / 4) gewone brunel / 5) vertakte leeuwentand
Heischraal grasland
Dit zijn zeer moeilijk herstelbare graslanden waar we er nog maar heel weinig van over hebben, want eens bemest zijn ze voor altijd kapot. De meeste bevinden zich in de bermen en in de omgeving van het Drongengoed, bijvoorbeeld aan de startbanen op het militair domein. Heischrale graslanden staan op erg voedselarme bodems die iets beter gebufferd zijn (ze zijn minder zuur) dan heide. Ze verdragen heel weinig stikstof. Zoals al onze graslandtypes is ook dit type genoemd naar een beeldbepalende plant, in dit geval struikhei. Het zijn met andere woorden echte graslanden, maar waar ook struikhei (laag blijvend) deel uitmaakt van de vegetatie. Dit zijn graslanden die overwegend geel bloeien, met vaak heel wat wasplaten, de orchideeën onder onze paddenstoelen genoemd omwille van hun zeldzaamheid, en planten als echte guldenroede en plaatselijk zelfs zaagblad. De variant die bij ons het meeste voorkomt staat behoorlijk nat (maar niet overstroomd) in de winter en kan zeer diep uitdrogen in de zomer.
1) Je ziet veel geel en wit in de heischrale graslanden, zoals hier langs het militair vliegveld in het Drongengoed / 2) icarusblauwtje op struikhei / 3) zaagblad / 4) mannetjesereprijs / 5) zwartwordende wasplaat
Zilverschoongrasland
Dit zijn klassieke graslanden die in de winter erg lang onder water staan. Zo lang, dat de meeste goede, lekkere grassoorten afsterven door zuurstofgebrek en door vergiftiging door het zich bij die omstandigheden uit sulfaat vormende H2S. Door verregaande drooglegging van ons landschap zijn ze bijna overal verdwenen; de polders hebben daar nog het meeste van overgehouden. Ook in de Moerkes (Waarschoot) ligt zilverschoongrasland. Denk aan grasland met planten als geknikte vossenstaart, watermunt en zilverschoon.
1) De pollen rus vallen op in dit zilverschoongrasland in de Vaanders (Aalter / Beernem) / 2) zilverschoon / 3) pijptorkruid / 4) rode ogentroost / 5) zeegroene rus
Struisgrasland
Ook dit zijn schrale graslanden, zij het minder schraal dan heischraal grasland, maar wel permanent droog. Struisgras is de aspectbepalende soort. Deze graslanden bloeien overwegend geel door kenmerkende soorten als muizenoor en biggenkruid. Ze komen voor in het Heidebos (Wachtebeke) en in de kanaalbermen van Aalter.
1) gewoon struisgras / 2) schapenzuring in bloei / 3) hazenpootje / 4) duizendblad
Droog kalkgrasland
In het Meetjesland is dit soort grasland enkel aanwezig op enkele (schelpen)kalkrijke dijken in de polders. Het is het meest soortenrijke droge grasland in het Meetjesland en is zeldzaam. Je vindt er soorten als bermzegge, fijne ooievaarsbek, goudhaver, wilde marjolein, donderkruid en aardaker.
1) wilde marjolein op de Hollekesdijk in Assenede: een droog kalkgrasland / 2) witje op wilde marjolein / 3) donderkruid / 4) fijne ooievaarsbek / 5) aardaker
De belangrijkste hooilandtypes in het Meetjesland
Koningin van de hooilanden: dotterhooiland
Dit was overal het beoogde graslandtype. De daarin voorkomende soorten zijn lekker, niet giftig en bewaren hun voederkwaliteit goed onder de vorm van hooi. Bovendien is dit het meest productieve (in kilo’s hooi per hectare, maar evengoed in voedselwaarde) van al onze hooilanden.
De mens heeft doorheen heel Europa over en weer gesleurd met plantensoorten die passen bij de groeicondities van dotterhooiland, dat plasdras is in de winter en waar het grondwater slechts 40 tot 60 centimeter wegzakt in de zomer. De soortensamenstelling van dit graslandtype is dan ook het meest door de mens beïnvloed. Kort door de bocht gesteld, kan je zeggen dat ongeveer de helft van de aanwezige soorten ooit zelf de overstap heeft gemaakt van lichtrijke plekken in elzenbroekbos, de andere helft is menselijke import uit andere delen van Europa.
Dotterhooiland is de klassieker onder de hooilanden, roze kleurend door de echte koekoeksbloemen en geel door de dotterbloemen, en met een hele reeks orchideeën als toemaatje. In het Meetjesland tref je die onder meer nog aan in de Vallei van de Oude Kale (in veel gevallen nog ‘onder reconstructie’). De mooiste twee voorbeelden bij ons in de buurt zijn het dotterhooiland aan de Boerekreek (Sint-Laureins) en in de
Zeverenbeekvallei (Deinze).
1) Het natuurgebied aan de Boerekreek dat door Natuurpunters helemaal logisch het Dotterbloemhooiland genoemd werd / 2) echte koekoeksbloem / 3) dotterbloem / 4) brede orchis / 5) grote ratelaar
Er zijn nog heel wat andere hooilandtypes, met één constante: elk miniem verschil in grondwaterstand, bodemsoort of samenstelling van de bodem geeft een ander type grasland en dus ook een heel andere plantenrijkdom. En dat heeft op zijn beurt weer gevolgen voor het uit te voeren natuurbeheer. Alle hiernavolgende hooilandtypes zijn een soort van ‘tweede best’ hooiland na dotterhooiland.
Grote vossestaartgrasland
Dit is een relatief nieuw graslandtype voor onze gewesten. Het staat in de winter te lang onder water, waardoor een groot deel van de productieve grassen afsterft, en in de zomer droogt het te diep uit. Dit graslandtype is bij ons vooral ontstaan toen de klassieke hooilanden in de beekvalleien tot permanente graasweides (geen herder maar prikkeldraad) omgevormd werden en waarbij de actieve regeling van de waterstand (voldoende nat in de zomer) verlaten werd. Ze werden verdroogd én bemest. Vandaar dat deze graslanden, in tegenstelling tot elders in Europa waar ze van nature voorkomen, zoals in de Alpen, relatief soortenarm zijn. De meeste soorten die het goed doen bij deze omstandigheden zijn hier simpelweg nog niet geraakt. Dit in tegenstelling tot onze dotterhooilanden, die in Vlaanderen niet een zeventigtal jaar, maar al een millennium aanwezig zijn.
Glanshaverhooiland
Daarmee is het Meetjesland oorspronkelijk karig bedeeld. Binnen elk graslandtype, wat ik (voor de techneuten onder ons) telkens heb afgebakend op zogenaamd verbondsniveau, zijn er verder onderverdelingen te maken. Dat detailniveau zou ons hier te ver leiden. Ook glanshaverhooiland had zijn plaats in het klassieke landbouwsysteem, maar dan eerder op plaatsen met zware klei- of leembodems. Ze overstromen nooit (grondwaterstand steeds tenminste 10 centimeter onder het maaiveld), met grondwaterstanden die tot wel anderhalve meter diep wegzakken in de zomer. Dit zijn de klassieke, drogere hooilanden met glanshaver, margriet en knoopkruid die op zichzelf nog een redelijk belang hadden in het landbouwsysteem, maar steeds beduidend minder dan het veruit geprefereerde dotterhooiland. Op onze Meetjeslandse schrale zandbodems was de productiviteit van dit hooilandtype dermate laag, dat men in dit soort omstandigheden eerder koos voor graasweide dan hooiland.
Grote zeggenvegetatie
Dit is dan weer een dotterhooiland dat net iets te nat is, want het is langdurig overstroomd in de winter en droogt slechts 20 centimeter uit onder het maaiveld in de zomer. Die 20 centimeter verschil met dotterhooiland levert visueel wel iets anders op: een hoog, ruig, eentoniger graslandtype dat toch ook zijn waarde heeft.
Kleine zeggenvegetatie
Dit hooilandtype mag je verwachten binnen net dezelfde grondwatercondities als grote zeggenvegetatie, met dit verschil dat het enkel voorkomt op bodems die zo goed als geen fosfor bevatten. Daardoor is dit zelfs in dit soort zeer natte omstandigheden een laagproductief grasland, gedomineerd door kleine zegges. Dat mag je echt letterlijk nemen. Het betreft natuurlijk andere zeggesoorten, maar deze vegetatie komt pas kniehoog in plaats van navelhoog, en bevat tal van zéér hoog gewaardeerde soorten.
Moerasspirearuigte
Eigenlijk zijn dit dotterhooilanden die pas in september gemaaid worden. Hoog, ruig en net als bij dotterhooiland zeer bloem- en soortenrijk. De beste voorbeelden daarvan tref je aan in de Latemse Meersen.
Kunstmest als de ultieme boosdoener
Op het moment dat kunstmest zijn intrede deed, werd de korte keten doorbroken. Guano uit Zuid-Amerika en later chemische kunstmest uit fosfaatmijnen in Marokko of in chemische fabrieken geproduceerde stikstof, zorgden ervoor dat de boer niet langer afhankelijk was van hooiland om via zijn dieren mest te produceren. Bovendien stroomde (tropisch) eiwit (veelal soja) massaal Vlaanderen binnen.
Schapen verdwenen naar de hobbysfeer en koeien werden vanaf dan doorgefokt om vlees- dan wel melkrassen te ontwikkelen. Dat is een heel nieuwe ontwikkeling. Al onze oude rassen waren allemaal zogenaamd ‘dubbeldoel’, voor melk en vlees, omdat ze in de eerste plaats mestproducenten waren. Niet dat onze voorouders niet in staat waren om melkkoeien te fokken: de noodzaak om te specialiseren was er gewoon niet. Aanvankelijk aten zelfs onze melkkoeien nog wel gras, maar al heel snel werd overgeschakeld op maïs en soja. Het gras dat ze wel nog aten, kwam overwegend van zogenaamde ‘raaigrasakkers’. Dit zijn akkerpercelen waarop gras gezaaid werd als teelt en dat intensief bemest werd. Saaie, groene grasvlaktes zonder één bloemetje, wegens ingezaaid en even intensief bespoten als alle andere akkerteelten. Waar onze klassieke hooilanden (nog voor de volledige drooglegging ervan) aanvankelijk nog te nat waren om omgevormd te worden naar akker, werden ze eerst een poosje graasweide. En daarmee verdwenen deze schitterende bloemrijke hooilanden uit ons landschap.
Heden en toekomst van onze graslanden
Kijk en zie
Het klassieke natuurbehoud mag je gerust zien als tegenreactie daarop. Dat vertrok vanuit mensen (zeer vaak boeren, jagers en andere buitenlui) die met lede ogen aanzagen hoe het mooie landschap uit hun jeugd, hun eeuwenoude, landelijke cultuur, verwerd tot monotoon ‘landbouwindustriegebied’. In het Meetjeslands Krekengebied bijvoorbeeld kan je de percelen van Natuurpunt er zo uithalen: overal waar nog madeliefjes in het gras staan, kijk je naar een perceel van Natuurpunt – een zeldzaam klein hobbyweitje uitgezonderd. De rest is bespoten. Dat neemt niet weg dat we de afgelopen decennia ook grote successen hebben geboekt. Langsheen de Poekebeek (Aalter) zijn doorheen de vallei al heel wat percelen gekocht, en in de Meetjeslandse polders heeft Natuurpunt ondertussen in bijna elk betekenisvol graslandgebied minstens één perceel verworven en soms zelfs al hele blokken. In de Kalevallei zijn we ondertussen al zo ver dat het niet meer de vraag is of er nog iets zal overblijven van die waardevolle graslanden, dan wel wanneer we klaar zullen zijn met ze allemaal te verwerven. In de Zeverenbeekvallei staan we hoe dan ook al het verst.
Hooiland in de Vallei van de Oude Kale, beheerd door Natuurpunt en een plaatselijke landbouwer
Het werk van boeren en natuurbeheerders
Dat is mensenwerk van Natuurpunters die dag en nacht in de weer zijn. Mensen die dicht bij de lokale dorpsgemeenschap staan en elke dag keihard werken om hun aankopen gefinancierd te krijgen. Ze kiezen ervoor om dit te doen samen met onze boeren, onafgezien van wat de polariserende media daarover mogen beweren. Want het economische aspect is in graslandbeheer een hele uitdaging. Natuurpunt kiest ervoor om zijn gronden gratis in gebruik te geven aan plaatselijke boeren – zonder mesten, zonder pesticiden en volgens de beheermodaliteiten die gericht zijn op de natuur. Op die manier houden we ondertussen via duizenden hectares heel wat landbouwbedrijven economisch overeind. De formele biosector werkt in Vlaanderen op 10.000 hectaren. Natuurpunt en het Agentschap voor Natuur en Bos samen zorgen voor minstens nog eens zoveel waar niemand over praat. Zo bouwen wij vanuit ons hart aan bondgenootschappen met onze boeren-dorpsgenoten en realiseren we duurzaam natuurherstel. Want ongeveer één op vier koeienboeren zit voor een deel van zijn bedrijf nu al op natuurpercelen. Gratis, zonder dat daar belastinggeld ingepompt wordt, wat wel het geval is bij de zeer dure en weinig resultaat opleverende beheerovereenkomsten.
Dat werkt. Op dit moment hebben we meer dan 500 voetbalvelden aan potentiële topnatuur die ons door boeren te koop aangeboden wordt. Dossiers die liggen te wachten, puur uit geldgebrek, vanuit mensen die met hun landbouwbedrijf écht met ons willen samenwerken en wij met hen. Al die opgeklopte, polariserende verhalen in
de media, dat voelen wij dagdagelijks anders aan. Boeren die onze mooiste erfgoedgraslanden omploegen naar maïs, dat zijn ook maar gewoon mensen, gevangen in een ijzeren, economische logica.
Niet met de natte vinger
De verworven graslanden proberen we te herstellen en te behouden, met de natuurbeheermaatregelen die nodig zijn voor dat type grasland. Sommige types worden, afhankelijk van de mate van overstroming, gehooid en nabegraasd, op andere types grasland wordt enkel gehooid of seizoensbegrazing toegepast. Ook het tijdstip van de beheerwerken verschilt naargelang het type grasland. Kortom: natuurbeheer is geen nattevingerwerk, maar volgt specifieke beheerplannen per graslandtype, die wetenschappelijk onderbouwd zijn.
Wim Slabbaert
met dank aan Andy Van Kerckvoorde en aan alle fotografen











